0316-240766
Vacatures & Solliciteren
Inlenersbeloning is inclusief alle inconveniënten volgens Gerechtshof Den Haag
6 februari 2019

De inlenersbeloning is inmiddels een bekend begrip in de uitzendsector en houdt in dat een ter beschikking gestelde uitzendkracht eenzelfde beloning ontvangt als de geldende beloning van medewerkers in dienst van de opdrachtgever, werkzaam in een gelijke of gelijkwaardige functie als de uitzendkracht.

Op 15 januari jl. heeft het Gerechtshof Den Haag een opmerkelijke uitspraak gedaan met betrekking tot de uitleg van de samenstelling van de inlenersbeloning. Volgens haar behoren alle toeslagen voor inconveniënten tot de inlenersbeloning.

Het Gerechtshof:

“Ingevolge het bepaalde in de eerste leden van artikel 22 NBBU-CAO en artikel 8 WAADI is de uitzendwerkgever aan de uitzendkrachten hetzelfde loon en overige vergoedingen verschuldigd als die zijn toegekend aan werknemers van de inlener werkzaam in gelijke of gelijkwaardige functies.

Onder deze beloning is naar het oordeel van het hof in ieder geval te verstaan het geldende periodeloon, periodieken, toeslagen alsmede onbelaste kostenvergoedingen. Bij toeslagen gaat het dan om alle toeslagen, zoals voor overwerk, verschoven uren, onregelmatigheid, ploegendienst en andere inconveniënten.

Dat Artikel 22 lid 2 NBBU-CAO toeslagen voor andere inconvenienten dan verschoven uren en onregelmatigheid niet met zoveel woorden noemt, doet hieraan niet af, omdat deze toeslag (evenals de andere toeslagen) geacht kan worden onderdeel uit te maken van het periodeloon. Van een limitatieve opsomming is in genoemd artikellid geen sprake. De afwijkingsmogelijkheid die Artikel 8 lid 3 WAADI biedt, waarvan de NBBU beoogd heeft gebruik te maken door een limitatieve opsomming op te nemen in artikel 22 NBBU-CAO, is niet relevant omdat een CAO bepaling in beginsel objectief moet worden uitgelegd, maar ook omdat met een dergelijke uitleg afbreuk zou worden gedaan aan het in Artikel 8 WAADI neergelegde beginsel van gelijke behandeling, ter uitvoering van de Uitzendrichtlijn.”

Commentaar:

In de betreffende uitspraak is sprake van een uitzendonderneming die lid is van de NBBU en dus onder de werkingssfeer valt van de NBBU-CAO. In de ABU-CAO is op eenzelfde manier gebruik gemaakt van de afwijkingsmogelijkheid die Artikel 8 lid 3 WAADI biedt (Artikel 20 ABU) en heeft deze uitspraak dus ook gevolgen voor de uitzendonderneming die onder de ABU-CAO vallen.

Wij vinden de uitspraak van het gerechtshof een opmerkelijk en zijn dan ook van mening dat zij met deze uitspraak geen recht doen aan een correcte uitleg van de Uitzendrichtlijn en de WAADI. Zowel de Uitzendrichtlijn en de WAADI bieden beiden een mogelijkheid om bij CAO af te wijken van artikel 8 lid 1 WAADI.

Artikel 22 NBBU-CAO en Artikel 20 ABU-CAO bevatten een limitatieve lijst van componenten die behoren tot de inlenersbeloning en deze valt in het licht van een correct toepassing van de cao-norm ook niet anders uit te leggen. Als het gerechtshof zo makkelijk bepaalde leden van de Uitzendrichtlijn en de WAADI buiten beschouwing laat, dan ligt de weg open om iedere looncomponent die niet onder de inlenersbeloning valt daar alsnog onder te brengen.

Het is in het licht van voorgaande te hopen dat cassatie wordt ingesteld en er alsnog recht wordt gedaan aan een correcte uitleg van de Uitzendrichtlijn en de WAADI.